27.5.19

Woorden



Vaker denk ik aan schrijven dan dat ik daadwerkelijk schrijf. Vooral 's avonds komt dat voor. Ik hoef niks meer te doen, heb demonstratief mijn telefoon al uitgeschakeld en ben in theorie (en eigenlijk ook praktijk) klaar om naar bed te gaan. Dan plotseling zwelt er een drang naar schrijven aan. Gegrond is die meestal niet – het gaat vooral om het schrijven. Ik pak een schrift en pen en knip nogmaals het tafellampje aan. Maar waar de initiële 'schrijfzucht' nog zo veelbelovend leek, lijkt het bij de daaropvolgende uiting ervan te stokken. Het papier blijft angstvallig leeg, afgezien van de kleine 'bullets' die tegenwoordig zo hip zijn. Waar blijft mijn onderwerp? Een geestige anekdote? Een scherpe observatie, zomaar uit het dagelijks leven geplukt?

Krekelgetsjirp. Een windvlaag door een woestijnlandschap.

Misschien was het ook wel meer het idee van het schrijven dan het schrijven zelf. Mijn bed lonkt. De woorden komen niet en mijn geduld raakt op. Dan knip ik het lampje weer uit.

Morgen zal ik weer denken in woorden. En wie weet schrijf ik ze ook op.

Zoek

ik
 ik zoek
 ik verbeeld me dat ik zoek

waarnaar?
 naar wie?
 waarom zou ik?

ik wil niet zoeken
 houd ik mezelf voor
ik wil vinden
 onverwacht, zonder reden

maar toch
 als ik dan stiekem zoeken zou
dan vind ik, hoop ik
 dan vind ik jou

22.1.19

Straffeloos


Ik zal je vergeten en weer ontmoeten.
Ik zal je vergeten, ontmoeten en weer vergeten.
Ik zal je weer ontmoeten.

Ik zal je vergeten en weer vergeten en weer vergeten.
Ik zal wandelen in dozijnen parken,
lichtgroene, violette en roze parken, onopvallend
in de regen.

's Avonds zal ik je weer vergeten.

De treden zullen niet meer weten 
wie je bent.
Maar zij zullen kraken.
En de voordeur zal weer aarzelen. 

Uit: Toon Tellegen, Daar zijn woorden voor

16.10.18

Avondwandelen



Een donderdagavond in Utrecht. Na een boottochtje door de Oudegracht en de Singel, gevolgd door een paar drankjes, kwam ik nog vrij vroeg in de avond thuis. De Dom had nog geen tien geslagen. Vanwege een tentamen de dag erna had ik besloten om even een verstandige student te zijn en geen nachtelijke avonturen meer te ondernemen.

Desalniettemin voelde ik nog een zweem van rusteloosheid toen ik terug in mijn zolderkamertje was. Ik had het grootste deel van de dag stilgezeten – ofwel aan m'n bureautje, ofwel in de collegebanken, en vervolgens in een bootje (het was helaas geen waterfiets). Mijn lichaam snakte nog naar een beetje beweging.

Daar besloot ik aan toe te geven en trok mijn schoenen weer aan. De deur uit sloeg ik het eerste de beste zijstraatje in dat enigszins in de gewenste richting afboog. Mijn blik werd geleid door de in de donkere straat helder oplichtende raamkozijnen, waardoorheen hier en daar een glimp huiselijkheid viel te bespeuren. Een wandkast tot aan het plafond volgestouwd met boeken. Keukengerei hangend aan een rekje voor het raam, bij wijze van tentoonstelling. Twee oudere mensen, man en vrouw, aan een houten tafeltje, verlicht door het schijnsel van een kaars.

Een paar straten verderop gonsde het van de studenten, hier kwam de dag gemoedelijk op z'n eind. Met beide werelden voelde ik me op dat moment verwant – hoewel die eerste een gevoel van rust en niks-meer-hoeven overbracht, waarvan ik als student de waarde in een jaar beduidend meer ben gaan inzien.

Het vooruitzicht om niet veel later in mijn eigen kleine kamertje terug te komen en nog een kopje thee te drinken, voldeed dan ook aan mijn laatste criterium van die dag. Meer dan dat moet je soms niet willen.

Geel gloeiend schijnsel
op zacht verlichte straten
sluimerende stad